Het gemeentelijk richtkader betreffende het oprichten van kleinschalige of microwindturbines

Gemeentelijk richtkader aangaande stedenbouwkundige aanvragen tot het oprichten van kleinschalige of micro-windturbines.

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN,

Overwegende dat:

  • windturbines als kleinschalig worden beschouwd wanneer de masthoogte niet hoger reikt dan 15 meter en een vermogen hebben van minder dan 300 KW;
  • bij de technische dienst regelmatig geïnformeerd wordt naar de mogelijkheden tot inplanting van een kleinschalige windturbine voor de opwekking van elektriciteit (groene energie) ten behoeve van particulier of beroepshalve gebruik;
  • voor de beoordeling van deze kleinschalige windturbines tot nu toe geen éénduidige richtlijnen bestaan;
  • de omzendbrief EME/2006/01-RO/2006/02 enkel van toepassing is op grootschalige en middenschalige turbines;
  • in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan geen bepalingen werden opgenomen betreffende de inplanting van windturbines;
  • het tot de gemeentelijke bevoegdheid behoort om hieromtrent een richtkader voor de behandeling van stedenbouwkundige aanvragen op te maken;
  • de landschappelijke impact van kleinschalige windturbines relatief klein is door hun beperkte hoogte;
  • het wenselijk is om voor deze aanvragen een lokaal beoordelingskader te scheppen;
  • voor elke aanvraag een afzonderlijke ruimtelijke afweging dient te worden gemaakt, waarbij het college in specifieke gevallen mits een goede ruimtelijke motivering, kan afwijken van dit lokaal kader;
  • de microturbines in functie van een woning/bedrijf staan en een impact hebben die beperkt wordt tot het lokale of zeer lokale niveau;
  • het toch aangeraden is om de aanvraag te onderwerpen aan een openbaar onderzoek;
  • bij de beoordeling in het bijzonder dient rekening te worden gehouden met de slagschaduw op naburige eigendommen en de eventuele ijsvorming op de turbine;
  • dit risico wordt gereduceerd wanneer de turbine wordt ingeplant op minimum 25 meter van een naburig woongebouw;
  • de inplanting van turbines op of in de onmiddellijke nabijheid van een woning niet is aangewezen;
  • van bovenvermelde bepaling kan worden afgeweken voor woningen op zeer ruime percelen;
  • bij de beoordeling van de inplanting, het aangewezen is om eveneens rekening te houden met het achtergrondgeluid alsook met landschapselementen (bomenrij, bossen, bestaande pylonen, …) in de onmiddellijke omgeving van de turbine;
  • het aangewezen is om geen windturbines op te richten in ruimtelijk kwetsbare gebieden, gebieden met een hoge landschappelijke waarde, in geklasseerde dorpsgezichten en in de omgeving van beschermde monumenten en in VEN-zones;

Gelet op:

  • Het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij de decreten van 28 september 1999, 22 december 1999, 16 april 2000, 8 december 2000, 13 juli 2001, 1 maart 2002, 8 maart 2002, 19 juli 2002, 28 februari 2003, 4 juni 2003, 21 november 2003, 7 mei 2004, 22 april 2005, 10 maart 2003 en 7 juli 2006, en latere wijzigingen en uitvoeringsbesluiten, in het bijzonder op artikel 99 §1, 1°;
  • het voorontwerp van provinciaal beleidskader voor windturbines;

Na beraadslaging.

BESLUIT:

Artikel 1

Windturbines worden als kleinschalig beschouwd wanneer de masthoogte niet hoger reikt dan 15 meter en een vermogen hebben van minder dan 300 KW. De initiatiefnemer plaatst deze om in de eigen energiebehoefte te voorzien waarbij hij het grootste deel van de opgewekte elektriciteit zelf afneemt vooraleer het eventuele overschot op het net te plaatsen.

Artikel 2

Kleinschalige windturbines kunnen worden opgericht op of in de onmiddellijke omgeving van bedrijventerreinen (industriezone, ambachtelijke zone) en op andere hoogdynamische locaties, alsook in niet kwetsbare gebieden zonder bijkomende landschappelijke bescherming (vb. woongebieden, woongebieden met landelijk karakter, agrarisch gebied, …).   

Artikel 3

De inplanting van de kleinschalige windturbine dient zodanig te gebeuren dat de hinder voor de buurt tot een minimum beperkt blijft. De inplanting gebeurt bij voorkeur op de eigen huiskavel, op minimum 10 meter van een eigendomsgrens vreemd aan de initiatiefnemer alsook op minimum 25 meter van een woongebouw, vreemd aan de initiatiefnemer. Van deze bepalingen kan worden afgeweken voor turbines gelegen in de ambachtelijke zone of industriezone. Voor windturbines kleiner dan 10 meter volstaat een afstand ten opzichte van de eigendomsgrens gelijk aan deze van de masthoogte.

Artikel 4

De masthoogte van de kleinschalige windturbine wordt beperkt tot 15 m, met uitzondering van de windturbines van het niet-wiektype en turbines gelegen in een industrie- of ambachtelijke zone.

Artikel 5

De inplanting van kleinschalige windturbines is niet toegelaten in ruimtelijk kwetsbare gebieden, gebieden met een hoge landschappelijke waarde, geklasseerde dorpsgezichten in de nabijheid van beschermde monumenten en in VEN-zones.

Artikel 6

Bij de aanvraag dient een gemotiveerde nota te worden gevoegd over welke voorzorgen men heeft genomen om de hinder door slagschaduw en ijsworp te beperken.

Artikel 7

Elke aanvraag dient aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen.
Aldus beslist in zitting van heden.

Vanwege het college:

De Gemeentesecretaris,                           De Burgemeester-Voorzitter,

(get.) Kris Nachtergaele.                          (get.) Paul Tant.

Dienst ruimtelijke ordening, stedenbouw en mobiliteit

Markt 1
9770 Kruishoutem
tel. 09 333 71 19
fax 09 333 71 13
ruimtelijke.ordening@kruishoutem.be